De enorme invloed van de media op verkiezingsuitslagen (deel 2)

Op het eerste deel van deze serie heb ik behoorlijk wat reacties gehad. De trend in de reacties was dat mensen meer informatie willen weten over hoe het allemaal zit. Daarom heb ik de meest belangrijke reacties er tussenuit gepikt en gebruikt om nog wat meer informatie te analyseren.

Is Samson wel de meest prominente PvdA’er?

In het oorspronkelijke experiment is gekeken naar de naam van de lijsttrekker icm. de naam van de partij. Bij alleen de PvdA gaf dit een groot verschil tov. de werkelijkheid. Daarom kreeg ik de vraag of we wel moesten kijken naar Samson, of dat het beter is om te kijken naar meer mensen.

Het experiment is daarom aangepast; in het geval van de PvdA is de lijst uitgebreid met de namen: Bouwmeester, Bussemaker, Cegerek, Dijsselbloem, Kerstens, Klijnsma, Plasterk, Samsom, Asscher en Timmermans. Dit gaf geen significant verschil.

Moet de media wel onafhankelijk zijn?

Kranten zoals de Trouw en de Volkskrant staan erom bekend dat ze “biased” zijn naar een politieke voorkeur. Ik kreeg daarom de opmerking dat het logisch is om te constateren dat de media niet onafhankelijk is en we dit ook niet verwachten.

De data die hier gebruikt zijn, zijn echter gebaseerd op de data van de NOS. De doelstelling van de NOS staat op de website en is vastgelegd in de mediawet:

De NOS is als publieke omroep verantwoordelijk voor een brede nieuwsvoorziening die betrouwbaar is en onafhankelijk. De taken van de NOS staan omschreven in de Mediawet: […]

Uit het onderzoek komt echter dat de NOS niet onafhankelijk is. Dit zou betekenen dat de NOS zich niet houdt aan haar wettelijke taak en (door de manier waarop de kerntaak vorm is gegeven) inwoners van Nederland (wellicht onbewust) beïnvloed.

Hoe zit het als meerdere partijen worden genoemd in de media?

Een interessant geval treedt op als meerdere partijen worden genoemd in hetzelfde nieuwsbericht. Een van de mogelijke redenen is immers dat door de media standaard een of twee partijen (of standaard combinaties van partijen) worden gevraagd om hun mening.

Het is uiteraard logisch om te veronderstellen dat als er een “links onderwerp” wordt behandeld, vooral de “linkse partijen” worden geïnterviewd. In 1233 gevallen worden er inderdaad 4 partijen genoemd in hetzelfde bericht.

In de volgende tabel heb ik geprobeerd om inzichtelijk te maken hoe de partijen samen worden genoemd:

Als voorbeeld: als GroenLinks wordt genoemd in een bericht, valt op dat in 71% van de gevallen ook de SP wordt genoemd. Wat duidelijk opvalt in de tabel is dat de VVD (67%!) relatief veel wordt genoemd, onafhankelijk welk onderwerp het betreft. De Partij voor de Dieren wordt het minst genoemd in combinatie met andere partijen. Het is opvallend dat de CDA, VVD, PvdA en PVV meer dan 10% vaker genoemd worden dan andere partijen.

Media versus peilingen

Tijdens de periode voor de verkiezingen worden er ook door verschillende partijen peilingen gedaan. De vraag hier was daarom: als de media zo goed de uitslag kan voorspellen – kan het onderzoek dat dan ook?

De achterliggende redenering hierbij is dat peilingen invloed kunnen hebben op het stemgedrag van mensen. Als de peilingen daarnaast niet kloppen, kan dit een extra factor zijn in de beïnvloeding van de keuze van mensen.

Voor dit onderzoek is gekeken naar de peilingen van IPSOS in de periode 16 januari 2012 t/m 11 september 2012. Als er een sterke correlatie is tussen deze twee, zien we dit aan een constante (absolute) foutmarge. De getallen op de peilingen zijn vervolgens vergeleken met de getallen die uit de media zijn achterhaald.

In de praktijk bleek hier de volgende fout naar voren te komen:

Zoals duidelijk te zien is in de grafiek, neemt de fout gedurende de periode met 10 zetels toe ipv. af. Dit is echter heel vreemd: op basis van goed statistisch onderzoek zou je juist het tegenovergestelde gedrag verwachten. Er is daarom dieper gekeken naar de onderliggende oorzaak.

Als verder wordt gekeken naar de fout van de individuele partijen tov. de IPSOS peiling, valt het volgende op:

De fout bij D66, VVD, SGP, ChristenUnie en Partij voor de dieren is in de marge. Vreemd genoeg worden blijkbaar de grootste fouten gemaakt bij de peilingen van de linkse partijen (de fout is overigens in deze gevallen vrijwel altijd positief). De gevonden fout hier is vele malen groter dan wat je statistisch gezien zou mogen verwachten. Deze constatering kan maar op 2 manieren worden verklaard:

  • Mensen die stemmen op linkse partijen zijn structureel minder eerlijk bij de onderzoeken. Dit zou betekenen dat de peilingen niet objectief zijn.
  • De peilingen van IPSOS worden niet op basis van een representatieve steekproef gemaakt. Ook dit zou betekenen dat de peilingen niet objectief zijn.

Vwb. (1) heb ik geen psychologisch onderzoek kunnen vinden die dit ondersteund. Vwb. (2) is het noodzakelijk om te kijken naar de manier waarop de steekproef werkt. Hierover is op de website van IPSOS het volgende gevonden:

[…] Voorafgaand daaraan, vanaf dinsdagmorgen tot en met donderdagmiddag, worden 1000 personen uit het online-panel van Ipsos ondervraagd.

Daarnaast worden op continue basis de politieke voorkeuren telefonische gemeten, zodat ook de mensen die niet via internet bereikbaar zijn in de peiling worden betrokken betrokken. Elke dag, met uitzondering van zondag, wordt de politieke voorkeur van 100 Nederlanders telefonisch gepeild. De steekproef komt tot stand door middel van Random Digit Dialing. Hierbij genereert de computer willekeurige telefoonnummers samen.

Ipsos beschrijft niet hoe beide onderzoekmethoden worden gecombineerd. Wel wordt aangegeven dat het Internet-onderzoek de basis vormt en dat het telefonisch onderzoek enkel wordt gebruikt om het Internet-onderzoek aan te vullen met gegevens van groepen die slecht vertegenwoordigd zijn op het Internet.

De grootte van de steekproef is gekozen op ongeveer 1000 mensen. Deze grootte volgt (ongeveer) uit de grootte die een aselecte binaire steekproef moet hebben om representatief te zijn voor een populatie van Nederland. Dit kan echter niet de enorme verschillen bij GroenLinks en de SP verklaren.

Daarom constateer ik dat het probleem met de IPSOS peiling is dat de populatie die gebruikt wordt niet willekeurig (genoeg) is om een betrouwbare peiling te zijn.

De enorme invloed van de media op verkiezingsuitslagen

Een welbekende kreet in de marketing is “alle reclame is goede reclame”. Het is daarom logisch om te stellen dat een oneerlijke verdeling in media-aandacht zich direct laat vertalen in de stem van het volk.

In Nederland zijn we heel trots op onze onafhankelijke, objectieve journalistiek, waarbij de kritiek op landen als Turkije is dat inmenging van de politiek in de journalistiek niet moet kunnen (omdat hierbij de onafhankelijkheid in het gedrang komt). De vraag die hier wordt onderzocht is: hoe onafhankelijk en objectief is onze eigen journalistiek nu werkelijk?

Om hier een uitspraak over te kunnen doen, is onderzocht in hoeverre we een verkiezingsuitslag (Tweede Kamer, 2010/2012) kunnen voorspellen op basis van een scheve aandacht in de media ten gunste van specifieke politieke partijen. Als de journalistiek volledig onafhankelijk is, verwachten we dat er geen correlatie te vinden is tussen media-aandacht en de verkiezingsuitslagen.

Dataset

Als dataset is het NOS nieuws genomen vanaf 1-1-2010 (Bron: http://nos.nl/nieuws/archief/2010-01-07/ ). Data van voor 1-1-2010 is helaas niet beschikbaar. Voor alle berichten is gekeken naar de full tekst content en de titel. Andere (meta) informatie is niet meegenomen.

Frequentieanalyse

Het meest eenvoudige onderzoek dat we kunnen doen is om simpelweg te kijken in hoeveel berichten de verschillende politieke partijen worden genoemd. Als observatie daarbij kunnen we meenemen dat vooral de (achternamen van) lijsttrekkers in de media worden genoemd zonder de partij zelf ook te noemen. Daarnaast moeten we rekening houden met afkortingen. Dat leidt tot de volgende zoekvragen:

Partij

Zoekvraag

VVD

VVD OR Rutte

PvdA

PvdA OR Samsom

PVV

PVV OR Wilders

CDA

CDA OR Buma

SP

SP OR “Socialistische Partij” OR Roemer

D66

D66 OR Pechtold

GroenLinks

GroenLinks OR “Groen Links” OR Sap

ChristenUnie

ChristenUnie OR Slob

SGP

SGP OR Staaij

Partij voor de Dieren

PvdD OR “Partij voor de Dieren” OR Thieme

 

Woorden en phrases worden hierbij gebruikt als zoekvraag; delen van woorden worden niet meegenomen aangezien deze geen betekenis hebben in taal (e.g. SP zal dus niet matchen op SpaceX).

Op 12-9-2012 waren de Tweede Kamer verkiezingen. Deze zoekvragen zijn daarom uitgevoerd op de dataset van 1-1-2010 t/m 12-9-2012. Vervolgens is gekeken hoeveel procent van de mensen stemt op een politieke partij op basis van zuiver deze frequentie (“verwacht”) en is dit vergeleken met de verkiezingsuitslag (“werkelijk”). De resultaten vind u in deze tabel:

Partij

Aantal berichten

Verwacht %

Uitslag 2010 (%)

Uitslag 2012 (%)

VVD

2772

20.2

20.7

26.58

PvdA

1879

13.7

20.0

13.83

PVV

2308

16.8

16.0

10.08

CDA

2192

16.0

14.0

8.51

SP

1152

8.4

10.0

9.65

D66

1079

7.9

6.7

8.03

GroenLinks

1112

8.1

6.7

2.33

ChristenUnie

600

4.4

3.3

3.09

SGP

353

2.6

1.3

7.85

Partij voor de Dieren

278

2.0

1.3

2.70

Zetels voor de PvdA

Wat direct opvalt, is dat vrijwel alle partijen hetzelfde patroon vrij precies volgen.

De uitschieter hier is de PvdA; alle andere partijen matchen netjes met de verwachting. De vraag is dus: wat is er aan de hand met de PvdA in de kabinetsperiode? Heel bijzonder is dat voor de PvdA de verwachting heel sterk correleert met de hoeveelheid media-aandacht en voor alle andere partijen de verwachting correleert met de hoeveelheid stemmen van de afgelopen verkiezing.

Belangrijk om te observeren is dat het hier niet gaat om extreem kleine verschillen! Verwacht en werkelijk zitten in veel gevallen minder dan 1% naast elkaar.

Conclusie

Het is bijzonder om te moeten constateren dat de media sterk schrijft naar rato van de afgelopen verkiezingsuitslag.

De stelling “alle reclame is goede reclame” lijkt echter statistisch gezien niet met alle partijen te kloppen; deze klopt wel met de verkiezingsuitslag van de PvdA.

Net zoals bij alle statistische onderzoeken kunnen deze resultaten het gevolg zijn van een derde factor; desalniettemin kloppen de statistieken zo precies, dat het lastig te ontkennen is dat de invloed van de media op de verkiezingsuitslag enorm is. Daarmee lijkt op basis van dit eenvoudige onderzoek de vraag gerechtvaardigd of het gelijkheidsprincipe zoals dit worden beschreven in artikel 21 van de universele rechten van de mens in het geding is. Verder onderzoek is nodig om te kijken of een derde factor de onderliggende oorzaak is.

In alle gevallen is het onmogelijk om te stellen dat de politieke partijen gelijkwaardig worden vertegenwoordigd in de (publieke) media.

Hoe de stemwijzer uw stem beïnvloed

Democratie is belangrijk voor de bevolking, omdat het mensen in staat stelt hun collectieve mening te vertalen naar beleid. Daarom is het juist belangrijk dat democratie volledig objectief gebeurt en dat alle partijen gelijke kansen hebben om verkozen te worden.

De basis van de democratie is dat alle mensen hun eigen mening objectief kunnen bepalen. In werkelijkheid nemen de meeste mensen echter niet de tijd om de verkiezingsprogramma’s te lezen van de verschillende partijen, maar stemmen ze op een partij om andere redenen. Bij onderzoek onder willekeurige mensen wordt hierbij als een van de belangrijkste redenen gegeven dat het advies van de stemwijzer ( www.stemwijzer.nl ) wordt opgevolgd.

De vraag die ik stel hier is hoe onafhankelijk dit advies in werkelijkheid is.

Hoe de stemwijzer werkt

De stemwijzer werkt op basis van 30 onderwerpen. Per onderwerp krijg je als gebruiker een keuze, die je als ‘eens’ (1), ‘geen van beiden’ (0), of ‘oneens’ (-1) kan beantwoorden. Na 30 onderwerpen geeft de stemwijzer je de keuze om bepaalde standpunten extra gewicht te geven. Hierna geeft de stemwijzer je een advies.

Voor ieder onderwerp zijn de standpunten van de verschillende partijen uit de partijprogramma’s gehaald. Hieraan is ook een gewicht van 1, 0 of -1 gegeven. Als het standpunt overeenkomt met de keuze van de gebruiker, krijgt de partij een gewicht van 1 (of 2 indien de gebruiker dit extra belangrijk vindt), anders 0. Op die manier krijgt de gebruiker voor iedere partij een score.

Vervolgens wordt deze lijst van scores gesorteerd en aan de gebruiker gepresenteerd.

Het experiment

De gebruiker verwacht dat de stemwijzer hierbij een objectief en onafhankelijk advies vormt. Als gebruikers allemaal willekeurige dingen zouden invullen, zouden we dus verwachten dat alle partijen hetzelfde aantal stemmen zouden krijgen. Indien dit niet het geval is kunnen we constateren dat de stemwijzer mensen beïnvloed om een bepaalde stem uit te brengen.

Als brongegevens zijn de data van de Tweede Kamer verkiezingen van 2012 genomen van de Stemwijzer (bron: http://www.stemwijzer.nl/TK2012/js/data.js ) en is in de applicatie gekeken hoe de scores tot stand komen (bron: http://www.stemwijzer.nl/TK2012/js/app.js ). De resultaten zijn vervolgens vergeleken met de verkiezingsuitslag genomen, die te vinden is op: https://nl.wikipedia.org/wiki/Tweede_Kamerverkiezingen_2012 .

Voor het experiment zelf is een programma geschreven, die simuleert wat er bij willekeurige input gebeurt. In hoofdlijnen werkt het als volgt:

  • Zolang er statistisch significante verschillen zitten in de uitslag (met een minimum van 1.000 simulatie rondes = simuleer 1.000.000 mensen):
    • Doe een simulatie van 1.000 mensen die op een volledig willekeurige manier de stemwijzer invullen.
    • Neem telkens het eerste advies dat de stemwijzer geeft. We doen dus de aanname dat mensen het advies simpelweg volgen.
  • Toon de uitslag van onze gesimuleerde verkiezingen.

Uiteraard staat het u vrij om zelf het experiment te controleren en eventueel te herhalen. Het programma is gedocumenteerd, open source en op https://github.com/atlaste/stemwijzer te vinden.

Resultaten

De resultaten van het programma worden hier uitgelegd:

  • Samples: 1000,conversion: 0.0009%
  • Converged. Verwachte fout: (3 σ ~ 99,73% accuracy) = 3.58%

Deze informatie wordt bijgewerkt tijdens de simulatie. Als de data geconvergeerd is betekent dit dat er geen significante wijzigingen meer optreden in de resultaten als gevolg van meer simulaties. Daarnaast verwachten we dat ongeveer 99% van de werkelijkheid maximaal 3,58% afwijkt onder de aanname van een standaardnormale verdeling (per steekproef).

Partij

Verwacht

Uitslag 2010

Verschil 2010

Uitslag 2012

Verschil 2012

VVD

18.01%

20.67%

2.66%

26.58%

8.57%

PVV

12.76%

16.00%

3.24%

10.08%

2.68%

D66

12.20%

6.67%

5.54%

8.03%

4.17%

PvdA

11.01%

20.00%

8.99%

24.84%

13.83%

CDA

10.66%

14.00%

3.34%

8.51%

2.15%

SGP

9.94%

1.33%

8.61%

2.09%

7.85%

GroenLinks

7.30%

6.67%

0.63%

2.33%

4.97%

SP

7.27%

10.00%

2.73%

9.65%

2.38%

ChristenUnie

6.22%

3.33%

2.89%

3.13%

3.09%

Partij voor de Dieren

4.63%

1.33%

3.30%

1.93%

2.70%

 

Conclusies

Is de stemwijzer onafhankelijk?

In de ideale situatie zouden alle partijen een gelijk verwacht percentage aan stemmen krijgen, wat gelijk is aan 100% / 10 partijen = 10%. Zoals te zien is, is dit absoluut niet het geval. Dit is statistisch zeer significant en we achten het daarom bewezen dat de stemwijzer niet onafhankelijk is.

Beinvloed de stemwijzer de verkiezingsuitslag?

Het programma berekent de verkiezingsuitslag als mensen gewoon willekeurige dingen zouden invoeren. Als de stemwijzer bepalend is voor de verkiezingsuitslag, zouden de resultaten verwachte en werkelijke uitslag met elkaar moeten correleren. De relevante uitslagen (<3 σ) zijn bold en rood gemaakt in de tabel. De grote uitzonderingen hier zijn de uitslag van de D66, de PvdA en de SGP. Alle andere partijen lijken te corresponderen met de uitslag.

Hoewel hiermee niet onomstotelijk is aangetoond dat de stemwijzer de verkiezingsuitslag beïnvloed (er kan een derde factor meewegen), geeft het wel aan hoe dicht de getallen bij elkaar liggen. Dit betekent dat we de kans groot achten dat de bias in de stemwijzer de verkiezingsuitslag beïnvloed.

Efficiëntie als stuurmiddel

We weten allemaal dat een efficiëntere productie van goederen of diensten een net zo grote opbrengst heeft, tegen lagere kosten. Je kan dus stellen dat door efficiëntie na te streven, we geld kunnen besparen. Efficiëntie en geld zijn twee zaken die ogenschijnlijk onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.

In de politiek lijkt dit echter nog weleens mis te gaan. De kosten voor zorg lopen hard op, de belastingdienst heeft moeite met alles bijbenen en in de GGZ worden impliciet targets gesteld op het aantal uren dat een patiënt krijgt.

Het is daarom tijd om terug te gaan naar de basis: Hoe werkt efficiëntie, welke verwachtingen moeten we hierbij hebben en hoe kunnen we hierop effectief sturen.

Hoe werkt efficiëntie

Een proces optimaliseren begint met een nadere kijk op het productieproces. (Diensten of goederen worden bij mij allebei geproduceerd; in beide gevallen noem ik dit ‘productieproces’). Het woord “productieproces” is hierbij cruciaal: als er niets wordt geproduceerd, valt er ook niets te optimaliseren.

Vervolgens zijn er allerlei methodes om het productieproces onder de loep te nemen om zo een kritiek punt te bepalen, wat geoptimaliseerd gaat worden. Ultimo leidt dit tot de twee vereisten voor een optimalisatie:

  1. Het doel van de optimalisatie
  2. Het deel van het productieproces dat geoptimaliseerd dient te worden

Als deze twee punten zijn bepaald, kan vervolgens een plan worden gemaakt en kan dit plan worden getoetst. Deze toetsing hoort te gebeuren aan de hand van de strategie, zodat de optimalisatie niet in de strategische doelstelling snijdt. Meerdere plannen worden op dit moment vaak beoordeeld op relevantie en het verstandigste plan wordt vervolgens uitgevoerd.

Doel van de optimalisatie

Het doel van de optimalisatie benoem ik heel bewust hier.

Mijn ervaring hiermee is dat veel mensen impliciet aannemen dat het doel ‘geld’ is. Geld is echter een gevolg van een complex samenspel van omstandigheden, waarbij de kosten vaak afhankelijk zijn van de combinaties van verschillende processtappen. Daarom denk ik dat het in veel gevallen verstandig is om niet te optimaliseren op geld, maar op de onderliggende zaken – en geld als gevolg te benoemen.

Een voorbeeld hiervan is om te optimaliseren op arbeidsreductie. Loon is voor veel bedrijven de grootste kostenpost, waardoor een optimalisatie op arbeidsreductie praktisch altijd een goede business case heeft. In alle leiderschapsrollen waarin ik professioneel actief ben geweest, heb ik altijd een sterke focus gehad op arbeidsreductie.

Een ander voorbeeld van optimalisatie is verkorten van doorlooptijd. Het verkorten van doorlooptijd wordt door klanten als prettig ervaren en wordt daarom als belangrijk geacht. Echter, als het verkorten van de doorlooptijd een doel is, hoeft dit niet te betekenen dat hiermee kosten worden gereduceerd. In tegendeel: Goldratt [1] laat zien dat dit ook extra geld kan kosten.

Bepalen van het deelproces

Er zijn vele methoden om te bepalen wat het beste punt in het proces is om te optimaliseren.

Arbeidsreductie is het makkelijkst om aan te pakken: het deelproces waarbij het meeste FTE te automatiseren is, is het deel van het proces dat we willen automatiseren. Het doel van de automatiseringsslag is om het aantal FTE te reduceren tot 0, zonder hierbij de taken impliciet bij andere mensen neer te leggen (in de meeste gevallen is dit uiteraard maar deels mogelijk). Wat we hiervoor nodig hebben is een overzicht van functies en taken, waarbij per taak wordt uitgezocht hoeveel FTE dit kost en hoeveel FTE te automatiseren is. Mijn ervaring is dat hier in veel gevallen ‘quick wins’ bij zitten, waarbij met relatief weinig moeite het hele deelproces te automatiseren is.

Doorlooptijd is complexer om te optimaliseren. Goldratt [1] beschouwd in zijn boek het kritieke pad binnen een productieproces als het meest belangrijke en laat zien dat het mogelijk is om processen te optimaliseren door op een slimme manier buffers in te bouwen en door creatief te zoeken naar oplossingen.

Binnen een proces is het daarnaast vaak mogelijk om kleine micro-optimalisaties te doen. De mensen die het best weten hoe dit precies zou kunnen, zijn de mensen op de werkvloer. Lean Six Sigma [2] is de internationaal geaccepteerde manier om dit soort micro-optimalisaties bedrijfs-breed te kunnen doen.

Binnen Wiskunde bestaat tot slot het vakgebied Operations Research [3]. Operations Research beschrijft via wiskunde een proces en geeft wiskundige mogelijkheden om hieraan te kunnen rekenen. Concrete voorbeelden hiervan zijn het maken van planningen en het uitrekenen van de optimale parameters (bijv. aanvoer en afvoerstromen) binnen een proces.

Regelreductie is de laatste (en meest onbekende) mogelijke optimalisatieslag. Bedrijfsregels en politieke regels leggen een ‘regeldruk’ op de mensen die hiermee moeten werken. Regeldruk uit zich in de complexiteit van het proces – een regelreductie heeft als doel om het proces als geheel eenvoudiger te maken. Het reduceren van regels tot een minimum kan daarom ook een doel zijn van een optimalisatie. Het lastigste bij regelreducties uitvoeren is dat regels vaak om een historische reden zijn bedacht – en de nieuwe situatie die redenen zou moeten omvatten. Met een goed archief is dit echter uit te zoeken, mits hiervoor voldoende tijd beschikbaar wordt gemaakt.

In alle gevallen komt hieruit een plan van aanpak. In het plan van aanpak staat beschreven:

  • Wat het doel is van de optimalisatie
  • Welke stappen dienen te worden uitgevoerd
  • Hoeveel de optimalisatie kost (arbeidstijd en kosten)
  • Welke impact de optimalisatie heeft op het (deel)proces
  • Hoe de overgangsfase tussen de huidige situatie en de nieuwe situatie beïnvloed wordt

In de praktijk zal dit in veel gevallen neerkomen op 1 a 2 A4’tjes met tekst.

Strategie en plannen

Bij het optimaliseren van een proces worden vaak vele mogelijke optimalisaties bedacht, welke allemaal meer of minder impact hebben. Het vooraf vaststellen van een doel is hierbij belangrijk, omdat hierbij een richting wordt gegeven aan de optimalisaties die beschouwd worden om geïmplementeerd te worden. Daarnaast is het uiteraard verstandig om vooraf te controleren of de plannen realistisch zijn. Het resultaat van het werk is een stapel plannen, die gefilterd en geordend moeten worden.

Filteren van de plannen heeft alles te maken met de focus van het bedrijf. Als een bedrijf gefocust is op het produceren van zonnepanelen, is het bijv. niet per definitie een goed idee om de componenten hiervoor in te kopen: ondanks dat dit wellicht efficiënter kan zijn in zowel doorlooptijd als arbeidskosten, is dit strategisch wellicht niet een verstandige keuze, omdat je hiermee afhankelijk wordt van leveranciers. Analoog hieraan is het wellicht niet verstandig om binnen een ziekenhuis een verliesgevende afdeling te sluiten, omdat de focus van een ziekenhuis het leveren van zorg is (en die kan hierna niet meer geleverd worden op dit specifieke punt).

Sommige plannen zullen daarnaast andere plannen overbodig maken. In sommige gevallen kan het verstandig zijn om simpelweg beide plannen uit te voeren (bijv. als een van de plannen direct kan worden uitgevoerd en het andere plan vele maanden tijd kost om te implementeren).

Als vervolgens bepaald wordt dat een plan levensvatbaar is, is het verstandig om het te laten beoordelen door een (andere) vakexpert. Als bijv. het idee is om ‘simpelweg’ een veldje toe te voegen op een website, is het verstandig om een goede informaticus de impact hiervan te laten bepalen.

De optimale planning kan vervolgens worden uitgerekend via Operations Research technieken [3]. Als pragmatisch alternatief kan ook worden begonnen met ervaring opdoen in kleine optimalisatie-slagen.

Uitvoeren van een plan

Het uitvoeren van een optimalisatie kost vrijwel altijd geld en tijd. Daarnaast zit er vrijwel altijd een ‘oncomfortabel’ punt in het project, waarbij het deelproces moet omschakelen van de oude naar de nieuwe situatie. Dit ‘oncomfortabele’ punt is meestal teven het ‘point of no return’. Het is belangrijk om vooraf scherp te hebben waar dit punt gaat zitten in de tijd.

Het managen en uitvoeren van het plan kan verder net zo worden gedaan als alle andere projecten.

Bad practices en valkuilen

Over de jaren heb ik meerdere bad practices gezien met optimalisaties. De belangrijkste daarvan heb ik hier opgesomd:

  • Winst vooraf budgetteren:
    De kosten komen altijd voor de baten uit. Wat ik hiermee bedoel is dat optimalisaties altijd geld kosten voordat ze eventueel geld gaan opleveren. Het woord ‘eventueel’ onderstreept dat er een ondernemersrisico in zit. De winst van een optimalisatie vooraf budgetteren, verhoogt het risico dat je loopt in de onderneming, met noodzakelijke negatieve kostenreductie effecten achteraf. Het is verstandiger om bijv. structureel 10% van de tijd en winst te alloceren voor optimalisaties, zonder de effecten hiervan te budgetteren. (De effecten worden immers sowieso wel zichtbaar)
  • (Structureel) beheer en ondersteuning vergeten: Alle assets in een bedrijf hebben support nodig. Ramen hebben een ramenlapper nodig, een robot moet gesmeerd worden, een server moet eens in de zoveel tijd vervangen worden en een medewerker wordt ondersteund door HR en een manager. Snijden in assets levert daarom structureel geld op, terwijl het toevoegen van assets structureel geld kost. De eenmalige kosten vallen over de loop van tijd weg in relatie tot de structurele kosten.
  • Alles is mogelijk: Flexibiliteit gaat in veel gevallen hand in hand met arbeid. Een gebrek aan focus is zo ongeveer de meest inefficiënte uitgangssituatie voor ieder bedrijf.
  • Optimalisaties in arbeid betekent mensen ontslaan: Als mensen geen toegevoegde waarde meer hebben in een bedrijf, moet je elkaar uiteraard de hand schudden, elkaar bedanken voor de mooie tijd en uit elkaar gaan. Iedere optimalisatieslag op arbeid is echter niet alleen maar een reductie in personeel, maar ook een kans voor de mensen om de vrijgekomen tijd op een andere manier te gaan besteden. Dat laatste betekent groei van het bedrijf. Als bedrijf is het daarbij verstandig om te bouwen op de mensen die je kent, passen in je cultuur en hun toegevoegde waarde hebben bewezen; omgekeerd redenerend is mensen ontslaan aan de ene kant en recruitment voor groei aan de andere kant een extreem dure (en inefficiënte) bezigheid voor een bedrijf.

Efficiëntie en overheid

Het toonbeeld van inefficiëntie is helaas de overheid:

  • In plaats van regels te reduceren, worden continue nieuwe regels (wetten) toegevoegd als “pleister” op de bestaande regels. Regeldruk neemt alleen maar toe.
  • Winst wordt vooraf gebudgetteerd. Decentralisatie van de zorg is het ultieme voorbeeld van hoe de beoogde winst door verhoogde efficiëntie van decentralisatie (onterecht) vooraf is gebudgetteerd bij de gemeentes.
  • Een focus op ‘de economie’ is geen focus. De nationale economie is een zeer complex samenspel van zowel sentiment, internationale bewegingen en nationale effecten. Optimaliseren op economie is daardoor vrijwel onmogelijk; de lange-termijn effecten hierop zijn simpelweg niet te voorspellen en aangezien alle optimalisaties vrijwel altijd een lange-termijn doelstelling hebben is dit dus simpelweg een verkeerde doelstelling.
  • Arbeid is een doel in plaats van een middel. Het uitgangspunt van de regering en het kabinet is dat mensen moeten werken om geld te verdienen. De praktijk is dat mensen ook bijstand en toeslagen krijgen als ze niet werken. Arbeid is dus een keuze – en het is niet aan de overheid om deze keuze te maken. Feit is wel dat er voldoende mensen moeten werken in de zorg, om de kwaliteit van onze zorg op peil te houden. En dat er voldoende mensen moeten werken bij de politie, om genoeg blauw op straat te hebben.

Ik besef dat dit slechts een tipje van de ijsberg is. Het punt dat ik hiermee wil maken is dat de toenemende kritiek op het efficiëntie-streven binnen de overheid incorrect is; de kritiek zou moeten zijn dat de implementatie van optimalisatieslagen amateuristisch gebeurt.

Efficiëntie nastreven – bijvoorbeeld door automatisering – opent de deuren voor meer doen met minder arbeid. Efficiënte oplossingen zijn bovendien meestal ook duurzame oplossingen. Of het nu gaat over politiek, bedrijfsleven, arbeid, links of rechts; dat is een doel dat iedereen mooi zou moeten vinden. In het bedrijfsleven is dit de orde van de dag; nu de politiek nog.

Bronvermeldingen

Rekenmodel onvoorwaardelijk basisinkomen

Wat is het onvoorwaardelijk basisinkomen?

Er zijn meerdere varianten van het onvoorwaardelijk basisinkomen in omloop. Het principe van bijstand betekent simpel uitgelegd dat je standaard de economische middelen krijgt om te kunnen overleven. Het systeem dat we allemaal hiervoor kennen in Nederland is de bijstand.

Een onvoorwaardelijk basisinkomen is een soort bijstand, waarbij alle mensen (ongeacht werk, inkomen en levenssituatie) dit inkomen standaard krijgt.

Er zijn verschillende varianten van onvoorwaardelijke basisinkomens in omloop. Sommige varianten zien het onvoorwaardelijk basisinkomen als een variant van de bijstand, waarbij mensen alleen het basisinkomen krijgen als ze geen werk hebben. Een andere variant is het basisinkomen te zien als een fundamenteel recht, wat je krijgt ongeacht of je werk hebt of niet. Binnen deze laatste variant zijn er tot slot mensen die vinden dat minderjarigen en gevangenen geen recht hebben op een onvoorwaardelijk basisinkomen, omdat ze dit geld niet nodig hebben. Er zijn daarnaast nog discussies over of immigranten ook recht hebben op het basisinkomen. En tot slot is zijn er nog varianten met en zonder vlaktaks.

Het voornaamste argument tegen het onvoorwaardelijk basisinkomen is het argument dat dit niet te bekostigen is. Dit is ook doorgerekend door het CPB [5], die deze conclusie onderstreept.

De variant van een onvoorwaardelijk basisinkomen die ik hier zal beschouwen is de volgende:

  • Een basisinkomen voor alle mensen die in het land verblijven;
  • Inclusief immigranten, mits deze aan (nader te bepalen) bepaalde voorwaarden voldoen;
  • Exclusief gevangenen, omdat deze geen (basis)kosten hebben.

Minderjarigen neem ik in tegenstelling tot veel andere modellen bewust wel mee in deze variant, om redenen die ik later zal toelichten.

Waarom een onvoorwaardelijk basisinkomen?

In Canada is van 1974-1979 een test gedaan met het onvoorwaardelijke basisinkomen in een kleine Canadese stad onder de naam “MINCOME Program”. [1] Hoewel moet worden opgemerkt dat het hier gaat om een andere variant dan boven beschreven, zijn de conclusies wel noemenswaardig. De conclusies van het experiment waren:

  • Mensen gaan meer werken. In het experiment was er een positieve prikkel, nl dat minder van het verdiende geld werd afgetrokken van de uitkering.
  • Zwangere vrouwen en vrouwen met kinderen gingen minder werken.
  • Weinig mensen stopten met werken of gingen minder werken. Dit komt doordat er in een goed doordacht systeem prikkels zijn om wel te werken.
  • Onderwijs is beter toegankelijk voor mensen. Dit creëert hoger opgeleiden.
  • Mensen zijn gelukkiger en gezonder.

Er zijn echter meer sociale zaken die met een onvoorwaardelijk basisinkomen opgelost worden. In 2009 wordt in London opnieuw een experiment gestart met een heel andere inzet. In London bleek in 2009 de kosten voor Politie, Zorg en Justitie voor 400.000 pond per jaar te worden veroorzaakt door een kleine groep van slechts 13 daklozen.

Deze kosten waren een direct resultaat van het gedrag; denk hierbij aan heroïnegebruik en overlast, maar ook zaken als onderkoeling (incl. spoedopnames), etc.

In plaats van deze daklozen wederom door het systeem te halen werd bedacht om deze groep van 13 daklozen handje-contantje een bedrag van 3000 pond te geven per jaar. De enige vraag die hierbij werd gesteld was “wat denk je zelf dat goed voor je is?”

Anderhalf jaar later waren zeven van de dertien daklozen van de straat. Alle dertien daklozen hadden belangrijke stappen gezet. Geen van de mannen verspilde zijn geld aan drank, drugs of gokken. Sterker nog, de meesten waren overdreven zuinig op hun centen. Na een jaar was er gemiddeld slechts 800 pond uitgegeven.

De achterliggende gedachte voor het onvoorwaardelijke basisinkomen vinden we in de psychologie. Een vriendin van ons werkt als GZ psycholoog en vertelde het verhaal:

Mensen die in de financiële problemen (schuldsanering) zitten zijn de hele dag alleen maar bezig met overleven. Dat zie je in de vele korte-termijnkeuzes die gemaakt worden. Als voorbeeld: het begint met een treinkaartje dat niet wordt gekocht omdat ze te weinig geld hebben om die maand rond te komen. De conducteur komt langs en geeft vervolgens een boete. De boete wordt vervolgens niet betaald, waardoor er administratiekosten bij komen. Aan het begin van de volgende maand moet toch die boete worden betaald, waardoor de maand meteen begint met een achterstand. Op vergelijkbare manier worden dingen als een wasmachine tot een auto op leningen gekocht: omdat de mensen niet in staat zijn om het nu te betalen. Deze mensen kunnen geen lange-termijn keuzes maken.

 De manier om deze vicieuze cirkel te doorbreken is door de mensen enerzijds te leren omgaan met geld en gewoon anderzijds geld te geven.

Ondanks deze argumenten zeggen tegenstanders van het onvoorwaardelijk basisinkomen dat deze experimenten niet relevant zijn. De reden hiervoor is dat veel van de experimenten ‘oud’ zijn, gebeuren in gebieden waar de omstandigheden slecht zijn en op kleine schaal getest worden. Onze situatie als land is niet daarmee vergelijkbaar. Hier hebben de tegenstanders gewoon een punt.

Ironisch genoeg geven voorstanders van het onvoorwaardelijk basisinkomen om soortgelijke redenen kritiek op het CPB: de situaties zijn zo verschillend, dat de cijfers nergens op gebaseerd zijn.

Ondanks dergelijke discussies, is vrijwel iedereen het er over eens dat het huidige sociale stelsel te complex en te kostbaar is. Het onvoorwaardelijk basisinkomen is hier mogelijk een oplossing voor. Daardoor zijn er vele initiatieven voor experimenten met (varianten van) het onvoorwaardelijk basisinkomen. In Zwitserland werden in 2013 wel 100.000 handtekeningen opgehaald [2]. In eigen land willen Utrecht [3], Groningen [4] en Nijmegen [6] een experiment starten en hebben sommige politieke partijen het op de agenda staan [7].

Efficiëntie en overheid

Een belangrijke reden om het onvoorwaardelijk basisinkomen te onderzoeken komt vanuit de financiële hoek. Ons huidige systeem is door de vele regels enorm complex geworden en daardoor duur en inefficiënt. Bovendien zijn de regels lastig te controleren (dit leidt tot fraude en corruptie) en neemt de regeldruk continue toe vanwege de mazen die in de wet worden gevonden die met nieuwe regels worden opgevuld.

Invoer van een onvoorwaardelijk basisinkomen lost al deze problemen als volgt op:

  • Geen uitkeringen zijn meer nodig;
  • Geen toeslagen meer op zorg, huren, hypotheken, etc.;
  • Geen speciale aftrekposten meer;
  • Geen re-integratietrajecten meer;
  • Geen subsidies meer die werk stimuleren;
  • Fraude en corruptie zijn vrijwel onmogelijk omdat de regels zo simpel zijn;
  • Ons pensioenstelsel is niet langer noodzakelijk meer.

De financiele kosten die hierbij horen vinden we in de “miljoenennota 2016” [8] terug in de begroting onder het kopje “Sociale zekerheid en arbeidsmarkt”. Deze kostenpost is goed voor 78,1 miljard per jaar (!) en daarmee de grootste kostenpost voor de hele rijksoverheid.

Om misverstanden te voorkomen: binnen deze 78,1 miljard zitten ook kosten voor bijv. immigratie (wat los staat van het onvoorwaardelijk basisinkomen), maar niet de kosten voor bijv. zorgtoeslag. Dit is dus een hele grove schatting. 78,1 miljard per jaar is het financiële equivalent van +/- 400,- per maand, per persoon voor alle 17 miljoen mensen van Nederland. Als vergelijk: de bijstand voor een alleenstaande ouder is 668,21 per maand. Het financiële verschil tussen onze kosten en iedereen een bijstand uitkeren is dus slechts 268,21 per maand ten opzichte van ons huidige stelsel.

Hierbij zit niet echter nog niet alles meegenomen. Zoals we ook al hebben gezien heeft een onvoorwaardelijk basisinkomen waarschijnlijk positieve effecten op gebruik van de zorg, politie en justitie. In praktische zin kunnen de ambtenaren die betrokken zijn bij re-integratie, aftrekposten, toeslagen, uitkeringen, enz, enz. per direct ander werk gaan doen (mits ze dit uiteraard prefereren boven het basisinkomen). Een groot deel hiervan zal willen re-integreren en elders een bijdrage gaan leveren in onze economie.

Een laatste politiek effect is een mentaliteitsverandering. Op dit moment is politiek het woord “werkgelegenheid” een gevoelig onderwerp, omdat werk gelijk staat aan salaris, salaris gelijk staat aan koopkracht en koopkracht een belangrijke driver is voor de economie. Door werk deels los te koppelen van salaris en het salaris direct te bepalen, bepaalt de overheid voor een deel de koopkracht (het totaal aan basisinkomen uitgekeerd bedrag) en daarmee direct de economie. Anderzijds bepaalt de overheid ook de prikkel om te gaan werken (door het bedrag van het basisinkomen te variëren worden mensen meer of minder gestimuleerd om te gaan werken).

Opvoeding en basisinkomen voor minderjarigen

Eerder maakte ik de opmerking dat ik bewust jongeren tot 18 jaar bewust niet meenam in de uitzonderingsregels.

Enerzijds heeft dit te maken met het voorkomen van fraude [12] door lastig te controleren regels, anderzijds heeft het te maken met de kosten voor het opvoeden van kinderen.

Financieel gezien is er in ons huidige systeem (onze huidige bijstand) al een differentiatie in de bijstand van 668,21 euro voor een “alleenstaande” t.o.v. een bijstand van 935,49 euro voor een “alleenstaande ouder” gemaakt, wat ongeveer op hetzelfde idee neerkomt. Aangezien een alleenstaande 2 ouders heeft, is het verschil tussen een basisinkomen voor minderjarigen en dit niet doen slechts 133,65 per jongere per maand. Als we vervolgens ook nog kinderbijslag meerekenen (+/- 230 euro per maand) betekent dit dat een jongere er met een basisinkomen ter hoogte van de bijstand zelfs 100 euro per maand op achteruit gaat.

Kinderen kosten geld, veel geld. Alleen al voor de opleiding moet worden gedacht aan de crèche en peuterspeelzaal, boekengeld, studiegeld, collegegeld, op kamers wonen, enz. Daarnaast hebben alle mensen voedsel nodig en kleding. Kinderen vertegenwoordigen daarnaast onze toekomst, wat ze hele zinnige investering maakt. In ons huidige stelsel gaat het geld primair naar de ouders, die een deel weer besteden aan de kinderen. Als je ouders hoort over inkomsten van de overheid zullen ze het altijd hebben over kinderbijslag, nooit over bijstand. Door bij het basisinkomen het geld expliciet bij de kinderen terecht te laten komen, kan dit worden rechtgetrokken. Uiteraard zullen ouders zeggenschap krijgen over dit geld in de eerste levensjaren – maar het geeft ook meteen een duidelijk signaal dat het niet de bedoeling is dat de ouders dit voor persoonlijke doeleinden gebruiken.

Als er bijzondere situaties zijn, zoals huishoudelijk geweld, is het bovendien wenselijk als de jongeren niet meer aangewezen zijn op de financiën van de ouders, maar als de voogdij incl. bijbehorend geld bij een hulpverlener kan worden neergelegd.

Aan de andere kant van de medaille is het hierdoor niet meer nodig om dingen als kinderbijslag en belastingregels voor uitwonende kinderen apart te regelen. Ook hier snijdt dit direct in de complexiteit van de overheid, wordt het veel eenvoudiger om fraude te bestrijden en leidt het tot een efficiëntieverbetering.

Efficiëntie en het bedrijfsleven

Als kleine ondernemer kan ik niet genoeg onderstrepen hoe lastig het in Nederland is om als kleine ondernemer personeel aan te nemen. Deze complexiteit rondom arbeidsrecht laat zich het best illustreren aan de hand van de belastingregels. Alleen het handboek loonheffingen [9] telt al 335 pagina’s en dit is slechts een deel van de regeldruk. Vrijwel alle ondernemers met personeel besteden vanwege de complexiteit de loonadministratie uit.

Ons ontslagrecht maakt het daarnaast lastig om personeel ‘zomaar’ aan te nemen. In veel discussies over investeerders en werkgelegenheid wordt vergeten hoe zwaar de druk van personeel is op de financiën en onzekerheid van een bedrijf. Om dit heel concreet te maken: als een personeelslid overspannen wordt, kost dit een bedrijf al snel 50.000 tot 100.000 euro. Dit in schril contrast met de Verenigde Staten, waar personeel van vandaag op morgen kan worden ontslagen.

Veel van de regels rondom arbeidsrecht vinden hun oorsprong in ons sociale stelsel, omdat werk een voorwaarde is voor financiën en daardoor noodzakelijk is om uit de bijstand te blijven. Met de invoering van een onvoorwaardelijk basisinkomen valt deze noodzaak echter compleet weg. Logische gevolgen van invoering van een onvoorwaardelijk basisinkomen zijn daarom ook:

  • Vereenvoudigen van de loonadministratie:
    • Afschaffing van arbeidskorting;
    • Afschaffing van WGA, WAO, AOW, WW, ZVW.
  • Vereenvoudiging van het ontslagrecht, concreet:
    • Afschaffing van ‘kantonrechtersformule’ en andere werkgeverslasten;
    • Versoepeling opzegtermijnen.

Volgens de berekeningen van het CBP leidt versoepeling van ontslagrecht en vereenvoudiging van de regeldruk voor het bedrijfsleven telkens tot gelijkere kansen op werk [10] en betere werkgelegenheid [11]. Of deze aanpassingen in het bedrijfsleven een bloeiende economie opleveren is daarnaast niet een vraag; afgezien van het onvoorwaardelijk basisinkomen lijkt dit op het arbeidsrecht dat in o.a. de Verenigde Staten gebruikelijk is.

Als we de eerder genoemde bijstandsbedragen nemen als startpunt voor het onvoorwaardelijk basisinkomen, biedt het bedrijfsleven ook meteen een mogelijkheid om een groot deel van de kosten voor een onvoorwaardelijk basisinkomen te realiseren. De manier om dit te doen is door het minimumloon in stand te houden en door vervolgens een vaste afdracht per medewerker te doen ten hoogte van het basisinkomen. Deze afdracht wordt vervolgens weer door de overheid uitgekeerd aan de medewerker.

Of om het nog efficiënter te doen: de werkgever geeft door wat het salaris en percentage op FTE is van de werknemer. Als het 100% FTE is, keert de overheid niets uit. Indien iemand een percentage van de tijd werkt, wordt voor het resterende percentage het basisinkomen uitgekeerd door de overheid. Issues als arbeidskorting bij part-time werken en meerdere banen zijn daarmee ook meteen opgelost.

Kosten van het voorgestelde systeem

Op basis van de cijfers van het CBS [13] kunnen we deze strategie financieel doorrekenen. Er zijn begin 2015 ongeveer 650.000 werklozen in Nederland. Volgens Eurostat [14] werken daarnaast Nederlanders gemiddeld 30,6 uur per week.

Nederland heeft ongeveer 10.000 gedetineerden [15], wat nihil is in deze berekening.

Dit betekent:

  • Nederland heeft 17 miljoen inwoners;
  • De beroepsbevolking is 8.9 miljoen mensen;
  • Van de beroepsbevolking is 650.000 werkloos;
  • De overige beroepsbevolking werkt gemiddeld 30,6 uur per week.

Gecorrigeerd naar 40 uur (1 FTE) is onze beroepsbevolking goed voor 8.299.726 FTE. Deze mensen worden (indirect) betaald in het voorgestelde systeem door het bedrijfsleven.

Wat overblijft is een bevolking van 8.700.274 FTE. In het voorstel zijn de kosten hiervoor 668.21 per persoon, per maand. Dit maakt de totale kosten voor het systeem 69 miljard euro per jaar, wat neerkomt op ongeveer het bedrag van het huidige stelsel.

Helaas kunnen we de prognoses van het CPB [5] niet meenemen in deze berekening, omdat hier ook wordt uitgegaan van vlaktaks. In het voorgestelde systeem is het belastingstelsel echter in tact gelaten (deze wijzigingen zijn al groot genoeg). De exacte kostenbesparing is echter niet te voorzien.

Wat is realistisch basisinkomen?

In de berekeningen ben ik uitgegaan van het huidige bijstandsniveau als onvoorwaardelijk basisinkomen. Het minimumloon is daardoor 2x het onvoorwaardelijk basisinkomen, om zo een sterk positieve prikkel te simuleren om te werken. Veel mensen zullen daarbij beargumenteren dat dit betekent dat we het sociale stelsel gaan uitkleden. Dat is laatste is echter helemaal afhankelijk van de hoogte van het basisinkomen – en dit is ook precies de discussie die politiek links en rechts met elkaar zouden moeten voeren.

Is dit realistisch? Volgens dit voorgestelde model zou een onvoorwaardelijk basisinkomen van 1.200,- per maand ongeveer 125 miljard euro gaan kosten.

Door efficiënter om te gaan met onze wetgeving, kunnen we kosten besparen, waardoor we minder hoeven te gaan werken voor dezelfde welvaart. Dit is een gegeven; mensen werken in welvarende landen met een goed sociaal vangnet simpelweg minder dan in landen die dat niet hebben. In Nederland betekent dit dat mensen gemiddeld 30,6 uur werken van de 40 uur.

Het onvoorwaardelijk basisinkomen geeft de overheid de mogelijkheid om hierop te sturen. Als het onvoorwaardelijk basisinkomen hoger dichter komt te liggen bij het minimumloon, zal de prikkel voor laagverdieners lager worden om te gaan werken.

Omgekeerd kan het onvoorwaardelijk basisinkomen hoger worden gemaakt met als doel om armoede te bestrijden, of met als doel om de kloof tussen arm en rijk te verkleinen.

En tot slot kunnen banen in de breedte door de overheid worden geschapen door de werkweek te verkorten. Dit is simpel te realiseren door de standaard werkweek van 40 uur te verkorten naar bijv. 32 uur. De impact hiervan is dat er geen basisinkomen wordt uitgekeerd over de verkorte uren.

Invoering van het onvoorwaardelijk basisinkomen heeft echter ook een negatief effect: het eerste jaar zal dit enorme kosten met zich meebrengen, simpelweg vanwege de enorme ontslagrondes (omdat een hoop functies simpelweg overbodig worden). We kunnen het ons daarom simpelweg niet permitteren om het basisinkomen hoger te zetten dan het bijstandsniveau; pas als we weer geld overhouden kunnen we dit weer her-investeren in een ophoging van het basisinkomen. Geografisch per regio invoeren en geleidelijk aan de kosten verplaatsen is wellicht een mogelijke optie hier, om zo een geleidende schaal te creëren.

Conclusie

Hoewel de precieze kosten van de invoering van een onvoorwaardelijke basisinkomen op grote schaal op dit moment (en in onze context) niet te voorzien zijn, is wel meteen duidelijk dat hier een enorme optimalisatieslag mee gehaald kan worden ten opzichte van het huidige systeem. Daarnaast is frauderen praktisch onmogelijk, omdat het systeem zo eenvoudig is.

Zowel voor- als tegenstanders van het systeem lijken het er daarnaast over eens te zijn dat het een heel sociaal stelsel is.

Een (over gesimplificeerde) rekensom laat zien dat het systeem weldegelijk betaalbaar is, mits de parameters goed worden gekozen. Om precies financieel de impact van dit voorstel te bepalen, zullen we daarom experimenten moeten doen binnen de juiste context en op kleine schaal, om zo het precieze effect in de eigen “Nederland anno 2016” context te kunnen bepalen.

Tot slot geeft het systeem op een eenvoudige manier een stuurmiddel aan de regering voor sociale inkomens, werkgelegenheid en inkomens. Dit maakt bestuur en beheer van ons land relatief eenvoudig t.o.v. de huidige situatie, met voor iedereen heldere consequenties van de voorgestelde wijzigingen.

Bronvermeldingen

[1]: http://basisinkomen.nl/manier-gezond-worden-experimenten-basisinkomen-canada/

[2]: http://www.reuters.com/article/us-swiss-pay-idUSBRE9930O620131004#2H7gqjDmMfsg4rSH.97

[3]: https://peterheirman.wordpress.com/2015/07/20/utrecht-test-onvoorwaardelijk-basisinkomen-uit-voor-mensen-met-een-uitkering/

[4]: http://mieslab.nl/onderzoek-basisinkomen/

[5]: http://www.cpb.nl/publicatie/de-effectiviteit-van-fiscaal-participatiebeleid

[6]: https://nijmegen.groenlinks.nl/nieuws/brede-steun-voor-idee-lokaal-experiment-variant-onvoorwaardelijk-basisinkomen

[7]: http://www.volkskrant.nl/economie/d66-pleit-voor-nieuw-onderzoek-naar-een-basisinkomen~a3782023/

[8]: https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/begrotingen/2015/09/15/miljoenennota-2016/miljoenennota-2016-met-bijlagen.pdf

[9]: http://download.belastingdienst.nl/belastingdienst/docs/handboek_loonheffingen_jan_2015_lh0221t51fd.pdf

[10]: http://www.cpb.nl/persbericht/329104/minder-ontslagbescherming-geeft-gelijkere-kans-op-werk

[11]: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-33818-B.html

[12]: http://financieel.infonu.nl/geld/87749-controle-studiefinanciering-uitwonend-2015-boete.html

[13]: http://www.cbs.nl/nl-NL/menu/themas/arbeid-sociale-zekerheid/publicaties/artikelen/archief/2015/werkloosheid-gedaald-door-afname-beroepsbevolking.htm

[14]: http://www.nrcnext.nl/blog/2012/03/06/next-checkt-de-nederlander-werkt-de-minste-uren-van-europa/

[15]: http://statline.cbs.nl/StatWeb/publication/?VW=T&DM=SLNL&PA=37264&D1=0-6&D2=0&D3=a&D4=0&D5=(l-9)-l&HD=090706-1319&HDR=G3,G1,G4&STB=T,G2

Focus on sustainability

Business and focus

Every business book that you will get your hands on will tell you this lesson: to be successful, you need focus. What they don’t all describe is why focus is so important. It’s not terribly hard to figure that out though:

  • Having focus means that you can separate the important and unimportant things.
  • Knowing what your focus is helps making decisions, like which customers to serve, what people to hire, what stuff you should buy or outsource, and so on.
  • Focus makes your product easier to understand for your customers.

Focus is not just a buzz-word, you can actually use it to make your company more successful. To give some examples:

  • Discussions and meetings become easier, because you can relate arguments and decisions to the single goal.
  • Explain and repeat to your employees what it is you’re doing – and they’ll help by generating ideas and bouncing off ideas.
  • Tools like scenario planning and the business model canvas can break down your main focus area into smaller, measurable goals.
  • Enterprise architecture helps to break down the company focus into the underlying systems and processes.

On the contrary, if you don’t do all those things, there’s a high chance that your company will fail. And even though focus is not a guarantee for success, most business people do see it as a necessary requirement.

So, if focus is so important, what about society as a whole?

Society and focus

In our society there is no focus. Politicians consider almost every topic a matter of political taste and debate. And worse – they’re even right: as long as we don’t have a common goal (if at all), we can debate endlessly about all kinds of things that probably all don’t matter. Eventually the only thing that matters is who’s in control. Things that threaten or strengthen control become important, such as media, terrorism, mass-surveillance and other things; long-term goals become completely irrelevant. This is how politicians control our country.

Therefore I have a proposal.

If there is one thing above all that seems important to all of us, it’s sustainability.

Definition. Sustainability is the ability for our civilization to keep running until the end of times. Basically this means that we give our children, and the children of our children a future. The moment we conclude that our civilization is not sustainable, it inherently means that everything that we do is meaningless (for the simple reason that we will become extinct).

I believe our focus as a society should be: sustainability.

Politics and sustainability

The good news is that the topic of sustainability gets more and more traction in the world. We know we’re currently not living in a sustainable world, and recognized that it’s a huge problem. There are also some initiatives to reduce CO2 levels, including rules, regulations and economic sanctions.

And there’s more good news. I believe that we currently have the technological know-how to create a world that can sustain itself for a long, long time.

The bad news is that there are ways to bend the rules and instead of aiming at solving the problem at its core. To give a concrete example: in the Netherlands, instead of reducing CO2 levels, the governing political party does not reduce CO2 levels and attempts to fight the resulting economic sanctions in court.

A sustainable environment

Aiming at sustainability is often confused for environmentalism. They’re completely different things. Sustainability aims at making the world habitable for people, but does so regardless of environmental consequences. However, as it turns out, we currently don’t have the technological know-how to do that without a sustainable habitat, which means that we need to sustain our environment. And even though environmentalism is a logical conclusion of sustainability, it is not necessarily the most important thing on our list.

Take for example nuclear power. Most environmentalists will tell that nuclear power is bad, because it pollutes the environment in the long run. While that is true, using nuclear power might also prevent melting ice caps in the short term, therefore improving our chances of survival.

OK, I want a sustainable society, what’s next?

A lot… so more on that later.

Pov-ray 3.7 stereographic camera

Basics of the patch

This patch adds a stereographic camera to pov-ray that allows a user to create side-by-side images, rendered directly on a second (non-primary) screen. Images are rendered as side-by-side images, you you don’t need extra post-processing.

This patch is licensed as AGPL3, the same way as pov-ray 3.7 itself is licensed. You need Visual Studio 2013 for this to work.

You can download the patch and everything you need here on github.

Before compiling the source code

I have a pretty new computer, and my CPU supports AVX2. You can look that up at ark.intel.com .

If your CPU supports AVX or AVX2, it’s best to update the properties of the C++ projects of the release configuration (set build target to the correct capabilities) and update those settings. This simple change can really make a difference in rendering speed.

Second screen

I usually put my code on one screen and enable my 3d second screen. Set the render resolution to the 3D screen resolution and render away; the results will be shown on your second screen.

If you just want to work with one screen that’s fine. If you have one screen attached, it’ll just work like it used to work. You can view the results in 3D with my other tools.

Where did my blocked preview window go?

It’s gone. For good I hope.

Looking at uniformly distributed blocks on a stereographic display as-if it was a side-by-side image, will definitely give you a strong headache that’s going to last for days.

How it works

Apart from the obvious changes in the tokenizer, render window, and all the other plumbing, the main change is in the camera.

Basically you define the distance between two eyes and the distance to the screen. The renderer will then render both pictures as side-by-side image. It’s pretty simple to implement, really.

Test scene

Any scene from pov-ray will do; you just need to modify the camera. I’ve constructed a small test scene with a sphere in front of the screen:

#local VP = <0,0,1>;
camera {
   stereoscopic                // New camera type
   zeroparallax 2.5
   eyeoffset -0.5*1/30

   location VP*0.8
   up y
   right image_width*x/image_height
   angle 60
   sky <0,0,1>
   look_at 0
}
                  
text {
    ttf "arial.ttf" "Some text here"
    0.2, 0
    translate x*-3
    rotate z*180
    rotate y*110
    translate z*-2
    translate y*0.2
    texture {pigment {color rgb <0.5,0.5,1> } } 
    }

plane { <0,1,0>, 0.3
texture {pigment {color rgb <0,1,1> } } }

sphere { <0,0,0>, 0.2
texture {pigment {color rgb <1,0,0> } } }
 
 light_source {
 <-1,0,1>
 color rgb 1
 }                                      

The result: